Mijn bedrijfswijze

Uitgangspunt bij mijn imkeren is het boek ‘Einfach Imkern’ van Gerhard Liebig. Verder gebruik ik ideeën die ik uit de geschriften van Wolfgang Golz en de boeken van Josef Bretschko heb opgepikt. Van de laatste met name de notie dat alle volken op een stand niet op één en dezelfde manier gevoerd kunnen worden. Daarvoor verschilt hun ontwikkelingssnelheid en -potentieel te veel.

Tweebaksimkeren

Ik werk met een gedeelde broedruimte, twee broedbakken dus. Dat kunnen twee broedbakken zijn of een gemengd bedrijf – een broedkamer en een (halfhoge) honingkamer- (zie ‘Gemengd bedrijf‘). Bij de zwermcontroles beperk ik me tot het omhoog kiepen van de bovenste broedkamer. Het merendeel van de moerdoppen wordt onderaan de raten van de bovenste bak aangezet, en die zijn op deze manier goed te ontdekken. Eventueel een LED-lampje gebruiken om de inhoud van de doppen nauwkeurig te controleren. Als er doppen zijn moeten wél alle 20 ramen worden afgeschud voor het breken van de doppen zonder er één over het hoofd te zien. De kiepcontrole laat ongeveer 5% van de doppen onopgemerkt, doordat ze elders op de raten zitten. In die gevallen zal er hoogstwaarschijnlijk een zwerm afkomen.

Kiepcontrole betekent wat tijdwinst, maar vooral ook minder verstoring van het broednest. Je hoeft niet alle ramen één voor één te inspecteren. De onderste bak herbergt, naarmate het seizoen vordert, naast stuifmeel en kortstondig opgeslagen nectar, vooral de oudere, en dus meer steeklustige bijen. Eigenlijk inspecteer ik de onderste bak later in het seizoen nooit meer. In augustus, na de zomerhoningoogst, haal ik die bak in z’n geheel weg. De meest raten daarin worden dan omgesmolten. Raathygiëne, waarbij een broedraam maximaal twee seizoenen in het volk blijft.

Eenbaksimkeren

Het eenbaksimkeren zal waarschijnlijk wel meer honing opleveren dan tweebaks, maar ik heb er ook wel wat bedenkingen bij. Het vaak gehoorde argument van aanhangers van de ongedeelde broedruimte ‘zo is het ook in een holle boom’ gaat niet zonder meer op. Holle bomen zijn niet per se zoals de ruime en open behuizing van Knabbel en Babbel. Bijen maken optimaal gebruik van de hun ten dienste staande ruimte, zelfs als die insnoeringen en barrières vertoont. Bretschko heeft experimenteel aangetoond dat de ruimte tussen de twee bakken voor de moer geen beletsel vormt om zich van de ene bak naar de andere te bewegen.

Het zou kunnen dat er bij één ongedeelde broedruimte eerder zwermstemming zal optreden, als middels een schot de broedruimte ingeperkt wordt, iets wat de laatste tijd veel aan populariteit heeft gewonnen. Ook moet men oppassen voor voergebrek, met name onmiddellijk na de honingoogst. Essentieel bij deze methode is om vroeg én veel honingbakken boven het moerrooster te plaatsen. Verder zal de raathygiëne er anders uitzien dan bij tweebaksimkeren. Veel raatvervanging zal in de lente moeten plaatsvinden. Op zichzelf niet zo’n ramp, overigens.

Raamformaten

Liebig propageert het gebruik van ramen van één (broedkamer)formaat voor broed- én honingkamer. Zijn argument is een gestructureerde raatrotatie, aangezien bij de indikking van het volk in de nazomer de onderste broedkamer wordt verwijderd en de vroegere honingkamer nu de bovenste broedkamer wordt. Zo hebben we een overwintering op twee broedkamers. Inderdaad heel elegant. Maar ik heb nu eenmaal veel honingkamers en die moeten eerst opgebruikt worden. Daarom gebruik ik lage honingkamers voor de oogst. Daarbij komt dat een honingkamer toch wat makkelijker wordt bezet en volgedragen met soortenhoning. De andere kant van de medaille is een wat ingewikkelder raatrotatie.

Rotatie en raathygiëne

Ik overwinter de volken meestal op 1 broedkamer en 2 honingkamers, met de twee honingkamers boven de broedkamer. Bij uitbreiding in de lente wordt een nieuwe, 2e, broedkamer onder de 1e geplaatst. De bijen kunnen dan in alle rust en kalmte de nieuwe broedkamer in bezit nemen wanneer ze daaraan toe zijn.

De twee honingkamers worden in fases weggenomen. Als het volk nog wat voer over heeft wordt één honingkamer met enkele voerramen helemaal onderaan het volk geplaatst. Daar wordt het dan in de loop van de lente snel geleegd. Wél het vlieggat klein maken in verband met het gevaar voor roverij! De overige volle voerramen bewaar ik voor afleggers of als toekomstig wintervoer.

Bij het begin van de kersenbloei wordt weer een nieuwe honingkamer, voorzien van kunstraat en uitgebouwde ramen, boven het rooster geplaatst, later in het seizoen idealiter gevolgd door een tweede.

Ergens in juni worden de twee broedkamers omgewisseld, zodat de oudste bak onder staat. Die kan dan in de nazomer weggehaald worden. Een voordeel, in mijn ogen, is dat bij deze manier van uitbreiden en roteren de opwaartse tendens van een volk optimaal ondersteund wordt.

Onderstaande schema is een voorbeeld van hoe de configuratie zich in de loop van het seizoen zou kunnen ontwikkelen. Afwijkingen zijn altijd mogelijk, afhankelijk van weersomstandigheden, dracht en potentieel van het volk.

In dit schema worden ieder jaar de raten van één broedkamer en één honingkamer uit het volk verwijderd en omgesmolten. Daarmee blijven de raten hooguit twee jaar in gebruik.

Hermoeren

Voor het hermoeren van onbevredigende volken gebruik ik vaak de 2 x 9 methode van Golz, waarbij ik de oude moer elimineer en het volk na één keer doppen breken de gelegenheid krijgt een nieuwe moer te telen van geselecteerd materiaal. De zwermlust is dan meestal wel definitief verdwenen. De criteria bij de selectie zijn steeklust en Varroa.

Varroa

Voor selectie op Varroaresistentie heb ik veel gehad aan het boek van Steve Riley, The Honey Bee Solution to Varroa. Veel is ook te vinden op de (Engelstalige) site varroaresistant.uk. Kern in zijn benadering is de selectie op Varroaresistente volken onder standbevruchting. Om tot behandelingsvrij imkeren te geraken geeft hij drie mogelijkheden aan:

  1. Stoppen met behandelen en doorgaan met de overlevers. Dit is wat er bijvoorbeeld op Cuba en in Zuid-Afrika gebeurde. Als men hiervoor kiest zal men een groot aantal dode volken op de koop toe moeten nemen. Bovendien zorgt de grote volksdichtheid in Nederland ervoor dat de resistentiegenen vaak niet tot uitdrukking zullen komen.
  2. Verkrijgen van Varroaresistente volken. Nog niet zo makkelijk: er wordt geen certificaat bij afgegeven en resistente volken zijn zeldzaam in ons land! Bovendien zal men ervoor moeten zorgen dat de volken ook resistent blijven als er een nieuwe moer in het volk verschijnt. In een situatie van standbevruchting is dat nog niet zo makkelijk.
  3. Gaandeweg de behandelingen verminderen. Dit is wat de meeste imkers doen, en ik ook. Zo wordt er bijvoorbeeld getwijfeld aan het nut van de winterbehandeling met oxaalzuur. De winterbijen zijn immers al enkele maanden eerder gevormd, dus zal deze behandeling de overlevingskans van een volk bij de uitwintering niet vergroten. Hooguit zullen er door de winterbehandeling bij de start van het nieuwe bijenseizoen in maart maar weinig mijten in het volk zitten. Binnen deze benadering kan men dan de nodige biotechnische bestrijdingsmaatregelen nemen ter vervanging van chemische bestrijding.

Riley’s aanname is dat er een zekere mate aan Varroabesmetting in een volk moet zijn opdat bijen de benodigde broedhygiëne kunnen aanleren. Een belangrijke randvoorwaarde voor selectie onder standbevruchting is verder wel dat het merendeel van de imkers in een regio deze benadering omarmen, want anders zou het selectieproces wel eens heel lang kunnen gaan duren. Ook is intensief monitoren van de mijtval essentieel in deze benadering.

Biotechnische bestrijding

Biotechnische bestrijding van Varroa zou je als een tussenstation op weg naar behandelingsvrij imkeren kunnen beschouwen. Daarbij hebben we een aantal mogelijkheden. De belangrijkste zijn: darrenraat snijden, wat velen van ons doen, ook om de zwermlust wat te beperken, een arrestraam gebruiken, en totale broedafname. De beide laatste methoden staan in detail beschreven in het boek van Uzunov, Gabel en Büchler, Summer Brood Interruption for Vital Honey Bee Colonies. Daarnaast bestaan zogenaamde Scalvinikooitjes voor het tijdelijk opsluiten van de moer, waar ik geen ervaring mee heb.

Een alternatief is Delen en Behandelen (Teilen und Behandeln, ontwikkeld door Gerhard Liebig). Bij deze laatste methode wordt een volk na de zomerdracht tijdelijk gesplitst in een moergoede vlieger en een broedvolk. Als die twee delen broedvrij worden, na respectievelijk 2 en 21 dagen, kunnen ze met een oxaalzuuroplossing worden behandeld. Hiermee is het dus niet een puur biotechnische methode, maar oxaalzuur geeft een zekerder resultaat dan mierenzuur, dat erg onvoorspelbaar is in zijn effect. De methode heeft als voordeel dat men desgewenst de twee delen gescheiden kan inwinteren en aldus uitbreiding van het aantal volken kan bereiken. De methode is niet geschikt voor volken die naar de heide gaan. Dan is het beter een arrestraam te gebruiken, of een behandeling met mierenzuur te doen, als men geen bezwaar heeft tegen het gebruik van chemische middelen.

Ras

Ik heb vooral huis-, tuin- en keukenbijen, het ‘Bennekomse Landras’. Uit liefhebberij probeer ik ook om jaarlijks enkele zwarte moeren te telen, met wisselend succes. Het paringsstation voor zwarte bijen in Nederland is voormalig werkeiland Neeltje Jans.

Het langjarige paringssucces op Neeltje Jans overstijgt nauwelijks de 50%. De wind is vaak een storende factor. Misschien vervliegen de jonge moeren zich gauw? Verder hebben de kleine kernvolkjes het er niet makkelijk: er is vaak maar heel weinig dracht. Ook de darrenvolken hebben het er moeilijk: de zwarte bij is van nature voorzichtig, en zal niet graag veel darren onderhouden in een marginale voedselsituatie.

Mijn grootste probleem voor Neeltje Jans is hoe het beoogde pleegvolk vrij van zwermstemming te houden tot de 2e teeltperiode, ergens in juni, want de 1e periode (in mei) valt vaak uit, aangezien de zwarte bij traag op gang komt en pas laat in het seizoen begint met darren te produceren.

Voor standbevruchting werk ik vaak met een pleegvolk met 9 dagen opgesloten koningin of ook wel met een verzamelbroedaflegger. De kernvolkjes krijgen dan bijen én ramen van het pleegvolk. Voor Neeltje Jans ligt het gebruik van een starter en finisher meer voor de hand, aangezien er alleen maar kleine koninginnenteeltkastjes worden toegelaten en er dus geen ramen meegegeven mogen worden. Dan valt het voordeel van een pleegvolk waarin de larven de hele teeltperiode verblijven, weg.