Verzamelbroedaflegger

Het is belangrijk om jaarlijks genoeg jonge volkjes te maken, om verliezen goed te maken of om het aantal volken te verhogen. Bovendien zijn er jonge moeren nodig om de oude te vervangen.

De hier beschreven methode is een goed alternatief voor het maken van meerdere individuele broedafleggers, waardoor je mogelijk meer volken krijgt dan je eigenlijk wilt.

Het principe van de verzamelbroedaflegger is dat meerdere productievolken allemaal (minstens) één raam met broed en opzittende bijen leveren. Met 8 à 10 van zulke ramen wordt één bak gevuld. Als er niet genoeg voer in die ramen zit, moet een raam met voer worden toegevoegd.

De verzamelbroedaflegger is tegelijkertijd starter en finisher. De doppen blijven de hele teeltperiode in de kast. Daardoor ontstaan er heel harmonieuze kernvolkjes, met bijen van een geschikte leeftijd.

Voorwaarde hierbij is wel dat de kernvolkjes worden gemaakt met dezelfde raammaat, bijvoorbeeld in een drieramer, zodat bijen én ramen worden gebruikt. Dit gaat vaak niet bij bezoek aan een paringsstation, aangezien in de meeste gevallen drieramers daar niet toegelaten worden.

Door het leveren van een raam met broed en bijen worden de productievolken licht geremd in hun ontwikkeling, maar dat zorgt er ook voor dat het opkomen van de zwermstemming wat vertraagd wordt. Het brengt in ieder geval minder verstoring en disharmonie met zich mee dan broeddistantiëring, elders op deze site besproken (zie Tussenafleggers). De hier beschreven methode is interessant vanaf ongeveer 5 volken.

De werkwijze:

  • Dag x (tussen 20 april en 10 mei): aftappen van de productievolken: één of hooguit twee ramen met bijen en broed per volk.
    Het meest geschikt zijn ramen met veel uitlopend broed. Er moeten in de verzamelbroedaflegger ook wat eieren en/of jonge larven zitten, zodat de bijen doppen kunnen aanzetten.
  • Dag x+9: doppen breken en teeltraam met larven van één of meer geselecteerde volken inhangen.
    Door de vele uitlopende jonge bijen worden de larven heel goed verzorgd.
  • Dag x+14 of x+19: doppen inkluizen.
    Als er veel dracht is, is het veiliger om op dag x+14 al in te kluizen, aangezien anders het gevaar bestaat dat de bijen de doppen dichtbouwen met raat, om de ingebrachte nectar op te slaan. Anders is dag x+19 een goede mogelijkheid, daar de bijen dan de doppen nog een tijd lang kunnen verzorgen.
    Na het inkluizen kan je een bak met voer opzetten. Deze kan dan gebruikt worden bij het maken van de kernvolkjes. Door deze extra bak verdelen de bijen zich meer, wat handig is bij het maken van de kernvolkjes.
  • Dag x+21: kernvolkjes maken.
    Desgewenst kunnen de kernvolkjes bij hun aanmaak met oxaalzuur besproeid worden tegen de Varroamijt.
    Oppassen dat de moer niet wegvliegt bij het invoeren in het kernvolkje! Invoeren kan in veel gevallen het beste gebeuren via de vliegopening van het kastje. Wat ook goed werkt is het uitloopkooitje geopend vlak op de raten te leggen en die af te dekken met plasticfolie totdat de jonge koningin het kooitje verlaten heeft.

Op dag x+21 komen de moeren uit. Nog gesloten cellen kan je op hun inhoud controleren door voorzichtig aan de voet van de cel een kleine snede te maken. Als de moer nog leeft -en op uitkomen staat- de cel weer voorzichtig dichtdrukken. Die cel kan je dan alsnog in een kernvolkje stoppen. Dit alles is niet van belang als je zo veel jonge moeren hebt dat je genoeg kernvolkjes kunt maken.

De beperkende factor voor het aantal kernvolkjes is het aantal ramen met bijen in de verzamelbroedaflegger. Een éénbaks verzamelbroedaflegger kan 7 à 9 kernvolkjes opleveren. Bij een tweebaks het dubbele aantal, mits er genoeg jonge moeren zijn uitgelopen. Ik maak overigens liever 2 éénbaks verzamelbroedafleggers dan 1 tweebaks, vanwege het aantal kwalitatief goede doppen dat een pleegvolk met succes kan produceren.

Dat er darren meegaan in de kernvolkjes is geen enkel probleem bij standbevruchting. Bij bezoek aan een paringsstation mogen er natuurlijk geen darren inzitten. Dan moeten we wat anders te werk gaan. Er zijn meerdere mogelijkheden om die darren eruit te halen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er vrijwel uitsluitend jonge bijen gebruikt worden.

Om hoofdzakelijk jonge bijen te verzamelen, nemen we van een volk een aantal ramen broed, zonder bijen, hangen deze in een lege bak en zetten ze boven het rooster terug op het volk. Het zijn hoofdzakelijk jonge bijen die naar het broed in de opgezette bak trekken. Zodra er voldoende bijen op de ramen zitten, nemen we deze één voor één uit de bak en slaan ze af in een ruime emmer, om ze vervolgens met de plantenspuit een beetje vochtig te maken. De ramen gaan, op de oorspronkelijke plek, terug in het volk. In dit geval zijn we wel het voordeel kwijt van het gebruiken van de jonge werksters van de verzamelbroedaflegger.

Een extra voorzorg, voor als we naar een paringsstation gaan, is nog het koppen van darrenbroed op de ramen broed die we naar boven hangen. Dit om te voorkomen dat er in de tussentijd één of meer darren uitlopen. Als we de bijen gaan verzamelen worden ze voor de tweede keer gezeefd. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden, o.a. met een buis met rooster en stamper op een emmer. We verzamelen werksters in de buis en duwen die voorzichtig met behulp van de stamper door het rooster heen de emmer in. Na lichte bevochtiging met een plantenspuitje zijn ze klaar voor gebruik.

Als je de verzamelbroedafleggers later in het seizoen maakt, kunnen de volkjes niet meer uitgroeien tot een overwinterbare eenheid. Dan is het een goed idee om er meerdere te verenigen en de vrijkomende jonge moeren te gebruiken voor de vervanging van oude moeren in productievolken.